Het productieproces van gebakken aarde bestaat uit verschillende stappen:
1. Ontginning van grondstoffen (klei en leem)
2. Voorbereiding van klei
3. Vormen
4. Drogen
5. Bakken
6. Smoren
Klei is de natuurlijke grondstof die aan de basis ligt van baksteen. Het woord “klei” dient ruim geïnterpreteerd, zodat ook leemgronden en schistes, met dezelfde mineralogische samenstelling als klei, worden meegenomen. Klei wordt ontgonnen in een “graverij” gelegen in een ontginningsgebied. Klei is alomtegenwoordig in de ondergrond, ook al verschillen de eigenschappen naar gelang de geologisch herkomst.
De voorbereiding van klei bestaat uit twee hoofdbewerkingen, namelijk het kneden en malen enerzijds en het mengen en doseren van de grondstof anderzijds. Dit heeft als doel een homogene plastische kleimassa te bekomen die gemakkelijk te verwerken is tot een eindproduct.
Handvormstenen:
De oudste manier om een baksteen te vervaardigen is het vormen met de hand. De vormer neemt een hoeveelheid klei, werpt deze in een houten bakje dat vooraf met zand werd bestrooid ( om aankleven op de wanden te verhinderen), drukt haar aan, strijkt de overtollige klei af en keert het bakje om zodat de “ groene steen” (= ongebakken steen) uit de vorm glijdt. Voor deze bewerking dient het kleimengel betrekkelijk goed kneedbaar (en dus vochtig) te zijn omdat anders de vormer teveel kracht zou moeten zetten. Dit heeft voor gevolg dat een handvormsteen een onregelmatig oppervlak krijgt door een aantal plooien.
In onze fabriek worden de “handstenen” evenwel niet meer met de hand vervaardigd. Alle bewerkingen zijn identiek dezelfde gebleven maar worden overgenomen door machines. De mallen worden na het vormen gereinigd met water en opnieuw gebruikt. Het spoelwater wordt in een interne kringloop hergebruikt. Het kleioverschot van het vorminggevinsproces wordt opnieuw gebruikt in de kleibevoorrading. Ook het bezanden van de vormen gebeurt nu volledig machinaal met zand of ook zagemeel. Wanneer dit bezanden achterwege gelaten wordt en de vormbakken enkel met water gespoeld worden, levert dit een onbezande steen op die de zuivere kleur heeft van gebakken klei. In de onderkant van de vormbak is meestal een uitstulping aangebracht die in de gebakken steen zichtbaar wordt als een uitsparing, de zogenaamde “frog”.
Alleen voor speciale formaten die niet in de machine passen of voor bijzondere kleimengsels kan het nog eens voorkomen dat de vormelingen echt “met de hand” gemaakt worden.
Strengpersstenen:
De “gewone” baksteen tenslotte wordt in ons land bijna uitsluitend in de strengpers gevormd. Dit is een machine waarin de kleimassa in de vorm van een doorlopende streng met zuiver rechthoekige sectie wordt geëxtrudeerd. Deze streng wordt op regelmatige afstanden doorgesneden en ieder stuk vormt een baksteen met vier betrekkelijk gladde zijden als gevolg van het glijden door het mondstuk, en twee snijvlakken die meestal wat ruwer zijn. De strengpers laat een veel snellere productie toe dan welk ander procédé ook en is bovendien bijzonder geschikt om geperforeerde stenen te vervaardigen. Ook gevelstenen worden op deze wijze geproduceerd, maar in dat geval
wordt er méér zorg aan het oppervlak van de zijden besteed (meestal een strek en twee koppen).
Voordat de vormelingen de oven ingaan om gebakken te worden, moeten ze – althans voor de meeste kleisoorten – nog een aanzienlijk deel water verliezen. Er wordt gedroogd tot de vormelingen nog ongeveer 2% vocht bezitten. Het gevaar zou anders bestaan dat de stenen bij het bakken zouden gaan barsten of kapotspringen door de uitzetting van de waterdamp binnen de massa. Anderzijds wordt ook de maatvastheid van de vormelingen pas bereikt wanneer de krimp, als gevolg van het vochtverlies, is beëindigd. De vormelingen worden kunstmatig gedroogd in droogkamers of droogtunnels waar het proces regelmatig en snel verloopt (meestal 2 tot 4 dagen). Om de stenen te drogen wordt gebruik gemaakt van warme lucht uit de afkoelingszone. Gedurende het hele droogproces wordt de temperatuur en vochtigheidsgraad al dan niet door middel van computersturing heel nauwkeurig geregeld.
Deze laatste bewerking die de gevormde en gedroogde klei moet ondergaan is tevens de belangrijkste want dan pas wordt de eigenlijke baksteen bekomen. Het bakproces moet zich geleidelijk ontwikkelen. De temperatuur wordt volgens een welbepaald tijdschema opgevoerd tot de eigenlijke “baktemperatuur”(begrepen tussen de 850 tot 1200°C naar gelang de kleisoort) is bereikt en daarna laat men de temperatuur even regelmatig weer afnemen tot volledige afkoeling. Iedere kleisamenstelling heeft zodoende zijn eigen zogenaamde “bakcurve”.
Na het bakken kunnen de afgewerkte stenen nog een bijkomende nabehandeling krijgen. Bij het smoren wordt een reeds gebakken volwaardige baksteen opnieuw afgestookt. Hierbij vindt een omzetting plaats van Fe2+ (rood) naar Fe3+ (grijs) zodat perfect grijze stenen worden bekomen.